Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

'k Weet nog niet, 't is zo'n lange studie."

'„Hoe laat zouden we in de stad zijn?" vroeg Ro opeens.

'k Heb de zieken één voor één gevraagd en ze willen allema vannacht doorvaren; volgens den motorist hebben we zowel in de Coppename als in de Saramacca het water mee; als er niks bijzonders gebeurt, kunnen we morgen vóór twaalf uur in de stad zijn.

Morgen in de stad! 't Was maar goed, dat de dokter wat ging lezen. Hoe aandachtig de jongens ook geluisterd hadden, nu voelden ze allebei behoefte er aan, om een tijd stü te zitten en die gedachte

te verwerken: morgen in de stad! En dan?

Roland had gezegd, dat er familie van vaders kant in de stad woonde; daarover had hij zijn moeder wel eens horen praten; maar die familie had nooit iets van zich laten horen; leefden ze nog we . Hoe heten ze eigenlijk en waar wonen ze? Dat ze hem zouden opnemen in huis, daar was-ie zeker van, daar kende hij zijn volk te goed voor; al waren ze misschien arm, een plek op de grond, om te slapen, een mok fajawatra en een bordje rijst zou er altijd wel voor hem zijn. En wat had hij meer nodig? Maar hoe zou hij hen vinden? Ste je voor, dat ze niet eens Immanuel heetten! Hij kon toch onmogelijk op de steiger van Paramaribo aan de eerste de beste zeggen*. M n vader heet Immanuel en hier woont familie van hem; hun naam en woonplaats weet ik niet; weet U het? Hij schoot ineens in een lach; 't leek wel een raadseltje! Toch wel avontuurlijk! Zou Max begrijpen, in welke moeilijkheid hij zat? Op Washabo had hij royaal gezegd: ik heb familie in de stad; zou Max begrepen hebben, dat hij verder niks wist? Max kende de stad, maar hoe kon hij hem helpen zoeken. Trouwens Max mocht van hem geen last hebben; die had wel wat anders aan zijn hoofd. Maar misschien verkeerde die in dezelfde moeilijkheid; hij had gezegd: ik ga moeder zoeken; dus scheen hij niet te weten, waar z'n moeder zat. Wel wist-ie tenminste haar naam; en omdat ze bij de politie zeker z'n vader zouden kennen, zou die politie ook wel kunnen uitzoeken, waar zijn moeder was. Maar Ro had een vaag vermoeden, dat zijn vriend liever mets aan de politie vroeg. Hij keek eens naar Max, die met dromerige ogen voor zich uit staarde en zelfs geen teken van belangstelling toonde, toen de barkas met een grote bocht van de Wayombo in de Coppename kwam.

Juist zoals Roland dacht, zat ook Max te piekeren over wat er morgen gebeuren ging. Hij kende in de stad genoeg mensen, die wel

Sluiten