Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

netjes geklede boys, tussen die wrakken van mensenlichamen, scherp getekend door melaatsheid, vervuiling en bittere nood!

„Hé, Roland, Max!" hoorden ze ineens. Meteen herkenden ze een koeliejongen uit Nickerie, die altijd bij hen in de klas gezeten had.

„È, è, Ramkumar!" Tegelijk waren ze bij hem. „Ga jij ook naar. naar de stad? Hoe......

De vraag bleef steken; waarom vragen, hoe hij het maakte?

„Wat gaan jullie in de stad doen?"

„Werk zoeken", antwoordde Roland meteen voor zijn vriend. „Jij wou altijd meester worden, weet je nog?"

Een berustende glimlach verzachtte het strakke, bronskleurig gezicht, dat nog niet aangetast scheen door de ziekte.

„Ik zei: ik zal meester worden! God zei: je zult melaats worden! Wat zal ik doen? Malik ke ittsja hai!"

Deze laatste woorden had Max heel dikwijls opgevangen van koelies, bijna even dikwijls als „paisa".

„Wat betekenen die woorden toch?" vroeg hij aan Roland.

Ramkumar gaf zelf antwoord: „Ze betekenen: 't is de wil van God."

„Maar vindt je het dan niet vreselijk?"

„Natuurlijk; maar ik heb geleerd: alles gaat voorbij en er bestaat een ander leven, waarin niemand meester en niemand melaats is, waar we alleen maar gelukkig zijn."

„En hoe vinden je vader en moeder het?"

„Vader vindt het verschrikkelijk; hij heeft veel gehuild, omdat hij nu alleen met m'n drie zusjes achterblijft. Moeder is ook melaats en is verleden jaar al naar de stad gebracht. Zeg 'ns, zou je voor één gulden veel kunnen krijgen, 'n mooie sluier of zo?"

„Hoe bedoel je?"

„Kijk, toen ik hoorde, dat ik naar de stad ging en moeder zou terugzien, wou ik wat voor d'r meebrengen, wat ik zelf verdiend heb. En toen heb ik me verhuurd aan mijnheer Mac Colm — je kent hem wel, dien Engelsman — om z'n erf te wieden en die heeft me een gulden gegeven; hij zei, dat-ie niet meer kon missen; 'k geloof, dat-ie veel geld nodig heeft, om te drinken; d'r lagen tenminste onder z'n huis een heel stapel lege flessen."

„En hoe lang heb je er over gedaan?"

Sluiten