Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Caesar was en de Dirklangedwarsstraat had veroverd op de Batavieren. Toen zag hij een langen politieagent de hoek omkomen. Wat een schaduw had die kerel! Moeder zag den man ook. Ze zei lachend: „Eerst kwam er een heel klein kereltje en nu zo'n extra-grote!"

„Het is een kwaje," zei Peter, die heel veel politieagenten kende. „Ik ga maar naar binnen. Dag, moeder." Hij stoof de kelder in.

Dat ziet eruit, of Peter weer wat op zijn kerfstok heeft, dacht moeder hoofdschuddend. Dat ventje zit nu

altijd in moeilijk¬

heden.

Daar was de agent al bij haar.

„Goede dag, juffrouw," zei hij beleefd. „Woont er hier" — hij sloeg zijn boekje eens op en keek erin — „een jongen met 'n paar blauwe ogen en een wipneus en slordig geel haar ? Gekleed in een vuile, lichtblauwe kiel en een broek met een scheur erin?"

„Dat kan ik

Moeder keek de straat nog eens in. ...

Sluiten