Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zo zeker niet zeggen," antwoordde moeder wat knorrig. „Mijn zoontje Peter heeft een lichte blauwe kiel aan, maar die was vanmorgen brandschoon en voor zover ik weet mankeerde er niets aan zijn broek. Misschien zijn er wel mensen, die dat soort blonde haar van hem geel noemen en zo'n neus als hij heeft een wipneus, maar ik voor mij heb dat nooit waar kunnen nemen."

„Dan kon ik daar misschien beter zelf over oordelen," zei de politieman goedmoedig. „Is uw zoontje Peter thuis ?"

Peter had ieder woord van het gesprek gehoord, want hij was naar de kamer boven de kelder gegaan en had daar op zijn knieën voor het raam gezeten, dat uitzicht gaf op de straat. Moeder dacht wel, dat hij daar zou zijn. Hard riep ze: „Peter, stoute jongen, wat heb je weer uitgehaald ? Kom eens hier?"

Op zijn tenen stond Peter op en sloop de kamer uit, maar naar buiten kwam hij niet.

„Hij kan zo hier zijn," zei moeder tegen den agent. Toen ging ze door met haar werk.

De agent wachtte geduldig een paar minuten. Daarna vroeg hij: „Kan uw zoontje u soms niet gehoord hebben?"

„Hij is niet doof," bromde moeder. „Hij zit in de kamer daarboven." Ze wees met haar duim naar het raam.

Nu de worteltjes en de appelen weggenomen waren, kon de agent daar vlak bij komen. Hij gluurde onder de gordijnen door.

„Ik zie geen jongen," zei hij.

„Hij moet er wezen," verklaarde moeder.

„Als hij niet door de achterdeur is weggelopen," opperde de agent achterdochtig.

Sluiten