Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Dat kan niet. We hebben geen achterdeur," verzekerde moeder. „Peter!" riep ze. Toen ging ze zuchtend het huis in om den jongen te halen. Ze ging regelrecht naar de kamer, terwijl ze mopperde: „Peter, Peter, jou rakker, moet je moeder weer voor je lopen?" Maar voor het raam zat Peter niet, noch ook op de divan en zelfs niet daaronder. Toen ging moeder terug en keek in het kleine hokje onder de trap, waar Peter's bed stond. Ook daar had hij zich niet verstopt.

„Wel goede hemel," zuchtte moeder. „Nu zal ik voor dien kwajongen nog de trap op moeten." Hijgend klom ze naar boven. Ze was al een beetje dik en ze liep die trappen zo makkelijk niet meer, zodat ze nu zelfs geen adem meer over had om Peter te roepen. Maar ze nam zich voor, hem een flinke draai om zijn oren te geven, zodra ze hem onder haar hand had. Was dat een manier van doen ?

Boven in het huis waren drie slaapkamertjes en naast het laatste was de trap naar de zolder. Toen moeder Peter niet in een van de kamertjes gevonden had, riep ze onder aan de trap: „Peter, als ik je moet komen halen, zit er wat voor je op, dat beloof ik je, mannetje! Al ben je dan ook honderdmaal overgegaan!" Ze dacht nu vast Peter's hoofd boven het trapgat te zien verschijnen, maar hoe ze ook wachtte, dat geelharige, slordige hoofd kwam niet.

„Alla dan maar," zo sprak ze zichzelf moed in. En weer ging ze een trap hoger. De zolder lag zo netjes opgeruimd, alsof het pas grote schoonmaak was geweest, want moeder hield van „ruim". Eén blik kon haar nu overtuigen, dat Peter ook daar zijn toevlucht niet had gevonden. „Nou scheurt m'n klomp", zei ze hartgrondig, „dat lijkt wel toveren. Of word ik nu oud ?"

Ze liep de trappen weer af, steeds maar verbaasd in zichzelf pratend.

Sluiten