Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Van voren droeg ze een klein wit schortje daar over heen. Peter zag dadelijk, dat het een prul was. Als je daar een krop sla of een kool tegen aan hield, was het ding zo doornat. Dat kind moest een nuf zijn. Ze had haar lange haren in twee vlechten en die hingen allebei naar voren over haar schouders. Maar — ze had Peter verlost uit zijn gevangenschap en daarom zei hij vriendelijk: ,,Phoe, neen, jullie Jan heeft me helemaal niet opgesloten. Ik ben uit mezelf gekomen."

„Hoe dan?" vroeg het meisje. „Heb je je in laten sluiten? Net als een dief?"

„Als een dief! Niks hoor," zei Peter verontwaardigd. „Ik ben door dat raampje daar geklommen."

„Gossiemijne!" zei toen het meisje. Ze vroeg: „Is daar aan de andere kant van dat huis de Dirklangedwarsstraat?"

„Ja, wat zou dat ?" vroeg Peter.

Het meisje zuchtte. „Ik vind, dat de kinderen daar altijd zo fijn kunnen spelen," zei ze. „Ik zou niet uit zo'n raampje durven klimmen."

„Dat doen bij ons de meisjes ook niet," vertelde Peter. Hij deed, of de Dirklangedwarsstraat aan het andere eind van de wereld was. Dat kon voor het meisje even goed zo wezen, want het was nu eenmaal een feit, dat kinderen, die niet in de Dirklangedwarsstraat woonden, daar ook nooit kwamen spelen. De kinderen uit die straat waren zo erg op elkaar, dat de jongens eens een paar jongens van de Gedempte Langegracht met riemen uit hun straat hadden gejaagd. Maar die vreemde jongens waren dan ook erge opscheppers geweest!

„Hoe heet jij ?" vroeg het meisje aan Peter. Dadelijk toen Peter zijn naam gezegd had zei ze er in één adem achter: „Ik heet Fien Brans. Dit pakhuis is van mijn

Sluiten