Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

II. EEN VRIENDJE OP VIER POTEN

Toen Peter eenmaal buiten was, zette hij de pas erin. Fien volgde hem op de hielen. Ze vond dien jongen leuk. Ze speelde nu eenmaal veel liever

met jongens dan met meisjes.

„Zeg, ik zou morgen wel stilletjes vroeg op kunnen

Staan 261 Z6.

,',Dat zou ik ook wel kunnen," antwoordde Peter. Dit was een heuse leugen van hem, want hij kon nooit stilletjes vroeg opstaan. Als zijn slaapkamertje boven was geweest, zou hij misschien weer eens door het raampje kunnen klimmen, maar nu zijn bed beneden stond, had moeder er altijd het volle gezicht op, wanneer ze 's morgens in de vroegte, terwijl alle kinderen nog sliepen, heen en weer liep van de kamer naar de keuken of naar de winkel.

„Zullen we dan gaan vissen ?" stelde Fien voor. Ze deed', of vissen haar dagelijks pleziertje was. En ze had het nog nooit gedaan! Ze had alleen zusjes en die voelden er niet voor. Maar zij — ze had eens op haar verlanglijstje voor haar verjaardag een hengel gezet en ze had gehuild omdat ze die niet had gekregen!

Voor Peter was het een plan om van te watertanden en Fien maakte het nog aanlokkelijker door erbij te voegen:

Sluiten