Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zijn als een hond maar wezen kan." Peter vond, dat hij nooit zoiets grappigs gezien had als die harige hondekop midden in de groentemand. Hij hoopte maar, dat vader te veel haast zou hebben om het hondje te zien.

Daar kwam vader naar hem toegelopen.

„Daar ben ik ten laatste," zei hij. Hij leek heel zijn goede, blije stemming in het hotel daar gelaten te hebben. Hij pakte zelfs de zweep erbij en sloeg Tony om hem harder te laten lopen, toen hij eenmaal weer op de kar zat. Peter durfde niets tegen hem te zeggen. Hij zat onbeweeglijk, zo stil — als het kleine hondje achter in de groentemand.

Ondanks vaders boze stemming genoot Peter, toen hij het terrein van de veiling opreed. Overdag kwam hij dikwijls genoeg hier. Er stond wel een bordje bij het hek: „Toegang verboden", maar naar zulke bordjes vergat Peter nogal eens te kijken. Hij kende de gebouwen met de zalen en de galerij, hij kende de cementen aanlegplaatsen van de groenteschuiten en hij kende de grote binnenplaats. Maar overdag en 's avonds was 't hier altijd stil. De jongens moesten sluipen om ongezien over het terrein te komen. Nu wemelde het er van de karren en auto's en mensen. Hier was het haast niet te geloven, dat de stad nog sliep. Ja, terwijl de andere mensen nog op bed lagen, kwamen hier de tuinders en de groenteboeren bij elkaar en ze zorgden ervoor, dat die luie mensen vandaag de hele dag door verse groenten zouden kunnen kopen. Met manden en bakken en kisten, met schuiten vol kwamen ze aan. Als Peter naar die volgetaste schuiten keek, leek het hem wel, dat er nog geen wagens genoeg stonden om al die waren naar de stad te rijden. En toch was vaders kar nu maar heel onooglijk en klein tussen al die andere.

Sluiten