Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

geweest was, zou hij hem onder de andere karren doorgejaagd hebben, om al die oude groenteboerenpaarden eens duchtig te laten schrikken. Nu liep hij kalmpjes met hem op en neer. Zodra de hond maar een duimbreed van zijn zijde week, bukte hij zich en trok het dier naar zich toe. Hij wilde het laten voelen, wie nu zijn baas was. Het kleine beestje was erg gevoelig voor liefkozingen. Vast had het er niet te veel gehad in zijn leven. Hij had zeker altijd doodstil op een kussen moeten zitten en hij was geslagen, zodra hij het waagde, van zijn plaats af te lopen. Want toen Peter hem weer terugzette in de mand, dook hij dadelijk neer en ging met zijn neus tussen zijn voorpoten zitten. Vader, die op dat ogenblik aan kwam lopen, merkte niet, dat Peter iets voor hem verborg.

„Ben je al die tijd zo dicht bij de wagen gebleven ?" vroeg hij ongelovig.

„Ja, vader, ja," zei Peter en hij zette een paar grote echt-waar-ogen op.

Maar hij had al te dikwijls gejokt in zijn leven. Vader geloofde hem niet. Hij lachte maar eens en zei: „Help me nu, de manden te verwisselen, dan ben je nog ergens goed voor!"

Sluiten