Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Gelukkig was vader nu gauw klaar met den man. Hij praatte nog even en gaf hem toen de hand. Daar kwam hij de trap weer af. Wat was Peter blij, dat hij naar buiten kon gaan. Hij was opeens bang geworden, dat Tommie van de wagen af zou zijn gesprongen. Het kon best wezen, dat iemand, die het politiebericht ook maar half had gehoord, hem had opgepakt en naar het bureau had gebracht. Peter had geen rust, eer hij weer boven op de bok zat. Vandaar keek hij schuin naar de wortelen achter hem. Tussen het groen zag hij twee blinkende bruine oogjes, die hem vertrouwvol aanstaarden. Zoete Tommie, dacht hij.

Het was maar goed, dat vader zo verdiept bleek te zijn in zijn eigen gedachten. Nu merkte hij niet op, dat Peter ongewoon stil was. Hij was zelf ook stil. Hij zei alleen nog even tegen zijn zoontje: „Denk eraan, moeder hoeft niet te weten, dat we hier afgestapt zijn." Peter vond het heel gewichtig, met zijn vader samen een geheim te hebben. Hij schoof wat dichter naar hem toe en hij zei met vaste stem: ,,U kan me vertrouwen, vader."

Toen lachte vader weer even hard om hem als 's morgens in de keuken. Maar hier buiten klonk die lach lang niet zo blij en vrolijk.

Aan de Dirklangedwarsstraat was het nu goed te zien, dat de vacantie was begonnen. Alle buitendeuren stonden open, de kleine kinderen speelden op de stoepen. Ze vielen de treden af en huilden en kropen weer op. De groteren draafden de straat op en neer, ze lachten en schreeuwden. Er was zo'n leven in de straat, dat het geklepper van Tony's hoeven en het ratelen van de wagen haast niet werden gehoord. Niemand van de kinderen lette trouwens op de kar, hij was hun al te bekend. Alleen Peter's kleine zusjes kwamen hun vader tegemoet gelopen.

Sluiten