Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Fien kwam dichter bij. Eén van de kinderen uit de straat riep haar na: „Ben je bang, dat we je strikken zullen stelen?" — Net goed, dacht Peter.

Fien deed, of ze niets hoorde. Ze ging naar Peter toe. „Ben je echt op de veiling geweest ?" vroeg ze.

Peter keek eens betekenisvol naar de nu half-lege kar.

„Ik ben net terug," zei hij.

Fien zuchtte. „Ik moest eerst naar de kerk."

„O, dan ben je toch ook wel vroeg op geweest," zei Peter toen beleefd.

Daar verdween vader met de laatste zak aardappelen op zijn rug in de deur. Straks zou hij vast de wortelen nemen. Het werd tijd, dat Tommie ergens een plaatsje kreeg. Hij kon ook niet langer stilzitten. Peter zag het groen bewegen.

Fien zag het ook. Met schitterende ogen vroeg ze: „Zit daar een hond ?"

„Ja," zei Peter vlug. Hij keek nog even om. Toen pakte hij het hondje en duwde het Fien in haar armen. „Bewaar het voor me," zei hij kort. „Stop het maar weg. Ik zal het je later wel vertellen."

Dit was nu juist iets voor Fien. Iets verstoppen, een geheim hebben, dat vond ze prachtig. Ze vroeg niets aan Peter. Zonder bedenken sloeg ze haar mooie witte schortje om Tommie heen. Toen vader weer uit de winkel kwam, stond ze met de rug naar hem toe naar het huis van den schoenmaker te kijken. Dat vond vader niets vreemd. Hij keek zelf ook die kant uit, want de schoenmaker reed zijn zieke zoontje naar buiten. En die ziekenwagen bleef nog een nieuwtje in de straat.

Langzaam liep Fien weg met het hondje in haar schort. Het beestje krabde met zijn pootjes in het dunne goed. Fien bedacht, dat hij er wel gaatjes in zou maken;

Sluiten