Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

straat weer in. Maar toen was Fien al bij de hoek. Misschien zagen een paar van de kinderen nog net even een tipje van haar kleurige jurk.

Daar stond Fien nu met het hondje op de gracht. Wat moest ze ermee doen ? Het mee naar huis nemen was uitgesloten. Moeder lette altijd zo erg op haar. Ze was boos geweest die ochtend, omdat Fien eerst zo vroeg uit haar bed was gekomen. Het was nog helemaal donker geweest, toen Fien al op haar tenen naar de kinderkamer sloop, waar Annie, moeders hulp in de huishouding, iedere avond de gepoetste schoentjes van de kinderen neerzette. Zonder schoenen kon Fien toch niet naar het rietland gaan!

Moeders slaapkamer was naast de kinderkamer. Die moeder sliep zeker altijd met haar éne oor open. De deur van de kinderkamer piepte nauwelijks en toch hoorde moeder het. Ze riep vader: „Frans, ik hoor wat!" Zeker dacht ze aan al de diefstallen, die er de laatste tijd in de stad gepleegd waren. Ze zei altijd: „Als er bij ons ééns ingebroken is, durf ik geen nacht meer naar bed gaan!" Meende ze, dat die vreselijke dief er nu was ?

,,'t Zal een van de kinderen zijn," stelde vader haar gerust.

Zou ik maar niets zeggen ? dacht Fien. Dat durfde ze toch niet. Moeder moest straks nog eens erger schrikken. Ze zei geruststellend: „Ik ben het maar."

„Wie is ik ?" riep moeder.

„Fien," riep dat vroege kind terug.

„Kom eens hier," riep moeder. Ze draaide het knopje om van het kleine schemerlampje, dat naast haar bed hing. In het flauwe schijnsel daarvan zag ze nu, dat Fien al aangekleed was.

„Wat is dat nu ?" vroeg ze.

Sluiten