Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

was het er ook. Fien stond wel een hele minuut stil en bang met het hondje in haar armen. Toen deed ze of ze Letta was: ze lachte zichzelf uit en ze plaagde haar eigen. Waarom moest ze bang zijn ? Er was hier toch niemand!

Ze wende nu aan het halfdonker en bekeek de lage huisjes. Eén raam hadden ze en één deur en dan nog boven een klein vierkant zolderraampje. Maar de muren zagen eruit, of ze heel dik waren en nog in geen honderd jaar in zouden vallen. Ze zag, dat een van de deuren niet toegespijkerd was. Misschien hadden straatjongens, die even nieuwsgierig waren geweest als zij, er de plank wel afgetrokken! Dat kwam nu goed uit. Ze duwde de deur open en ging naar binnen. Ze keek niet naar al het stof dat daar lag. De mensen, die hier vroeger gewoond hadden, bleken nog het een en ander achtergelaten te hebben. In de kamer stonden een stoel en een tafel en er lagen nog wat oude lappen in een hoek op de grond.

Fien zag twee grote kastdeuren. Zou ze het hondje in de kast stoppen? Och, dat arme diertje! Eerst had ze het zo moeten knijpen om het vooral goed vast te houden en nu zou ze het weer opsluiten ? Neen, ze bracht het naar de zolder. Er stond een ladder schuin omhoog tegen de achtermuur. Daarboven zag ze een luik, dat aan een vettig touw nog half open hing. Ze klom naar boven. Ze vond het jammer, dat ze nu heel alleen was. Ze had schik in dit avontuur. Ze zette het hondje boven voor zich neer op de grond. Toen dook ze gauw met haar hoofd naar omlaag en sloot het luik.

„Dag," riep ze, „tot straks, dan komt je baasje, die zal je wel wat te eten brengen!"

Ze maakte nu als de wind, dat ze uit het huisje kwam. Ze sloop langs het groen terug naar boven. Eens verstopte ze zich helemaal, omdat ze zich verbeeldde, dat er daar

Sluiten