Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Wat ?" vroeg Peter.

„We gaan een padvindersclub oprichten, hier in de straat."

Er waren al heel wat jongensclubs geweest in de Dirklangedwarsstraat en het was altijd Peter geweest, die ze had opgericht. De vorige winter hadden ze een club gehad van schoorsteenvegers. Peter had zijn moeder eens moeten helpen met het uitragen van de pijp van het wasfornuis. Dat was hem zo naar zijn zin geweest! Hij had erbij mogen klimmen, hij had zich pikzwart gemaakt en hij had niet eens een standje gekregen en de buurvrouw had gevraagd, of hij het bij haar ook wilde doen. Van haar kreeg hij een stuiver toe.

Het was te mooi geweest om het daarbij te laten. Drie dagen naderhand ging Peter met zes jongens langs de deuren, in één dag verdienden ze met elkaar twee dubbeltjes. De volgende dag kon Peter voor zichzelf alleen een heel kwartje krijgen, als hij voor juffrouw Alsemgeest boven op haar dak wilde klimmen en daar een bezem aan een touw door haar smalle schoorsteen wilde laten dansen. Dat had hij niet af kunnen slaan. Toen had zijn vader hem gezien en het was uit geweest met de schoorsteenvegersdub. „Schoorsteenvegen op je broek kun je krijgen!"

Later had hij de Indianenclub opgericht. Daar had hij de hele straat mee geërgerd, omdat zijn Indianen zo gilden en zo stiekum rondslopen. „O, die akelige jongen van Van Dongen," hadden de moeders gezegd. Zij hadden iedere avond wat te stellen gehad met de flauwe meisjes, die huilden als ze naar bed moesten, omdat ze geschrokken waren van hun broertjes.

In de tijd van de vierdaagse had Peter eens een wandelclub opgericht. Met zes jongens was hij zo ver gelopen, dat ze voor het donker niet meer terug konden zijn. De

Het avontuur van Fien en Peter - 4

Sluiten