Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

politie was erbij te pas gekomen en ze waren met een vrachtauto thuis gebracht. Uit was het geweest met de wandelclub.

Aan een padvindersclub had Peter meer dan eens gedacht. Het leek wel, dat er aan zo n club geen enkel gevaar verbonden was. Overal waren er immers jongens aan en hun vaders en moeders leken er wel niets op tegen te hebben. Alleen zouden de jongens in de Dirklangedwarsstraat nooit geld hebben voor een pakje en voor zo'n mooie ronde hoed. Peter had er geen idee van, hoe die padvindersbeweging feitelijk in elkaar zat. En, zo had hij gedacht, wie van de grote broers zou mee willen stappen naast de troep ? Hij wist zeker, dat hij geen hopman

zou kunnen vinden.

En hier kwam nu die slome Joop Martens vertellen, dat er een padvindersclub werd opgericht zonder hem!

„Phoe," zei hij, „dat kan niet."

„Lekker wel," treiterde Joop. „Er zitten al acht jongens achter de kerk, die mee willen doen. Ze hebben mij er op uitgestuurd om jou op te zoeken."

Zonder Peter ging het dus toch niet. Neen, nu moest Peter van Dongen toch eerst naar de jongensvergadering. Daarna — kon hij altijd nog naar Fien en het hondje zoeken.

De Dirklangedwarsstraat liep bijna dood tegen de muur, die rond het terrein van de oude kerk was gebouwd. Er was nog maar een smal paadje vrijgelaten en dat werd nog half versperd door een blauw-stenen paal, zodat er zelfs geen fiets door kon. Maar de jongens hadden er nog wel langs gekund als er helemaal geen pad was. Ze letten nu zelfs niet eens op dat pad. Ze klommen op de paal, dan grepen ze — en heel gauw, want anders verloren ze hun evenwicht — met allebei hun handen de muur vast, wip

Sluiten