Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het gras tegen het muurtje aan, maar hij ging staan. Hij vergat, dat hij het niet zelf was, die deze vergadering had belegd. Hij vergat, dat hij 's morgens vroeg nog aan geen padvinderij had gedacht.

„Jongens," riep hij uit, „vanmorgen heb ik al een hondje beschermd, dat zo maar langs de weg liep. We moeten een padvindershol maken en daarin moeten we alle honden brengen, die eten en zo moeten hebben en die we thuis niet mogen houden."

„Waar moeten we dat doen?" vroeg Joop. „En waar

is die hond?"

Daar zat Peter. Hij was ineens al zijn brani kwijt. Hij kon toch niet zeggen: „Ik heb die hond aan een wildvreemd meisje meegegeven!"

Ondertussen was Fien weer teruggekomen in de Dirklangedwarsstraat. Toen ze daar tussen de huizen liep, die zo prettig dicht tegenover elkaar stonden, en naar al die spelende kinderen keek, dacht ze weer: Wat is het hier toch een gezellige straat. Ik wou maar, dat mijn vader hier woonde, in plaats van op die stille gracht. Ja, als haar vader hier gewoond had, zouden al die meisjes niet zo kattig en boos naar haar gekeken hebben.

Ze zocht naar Peter. Er waren heel wat kleinere jongens aan het spelen op de stoepen, maar de groteren leken allemaal weggegaan te zijn. Of zouden die hun vaders helpen, zoals Peter het die ochtend had gedaan ? Dat zou ze feitelijk aan een van de meisjes moeten vragen. Maar ze durfde niet. Het leek er meer op, dat die kinderen haar tong naar haar uit zouden steken in plaats van te antwoorden.

Toen zag ze Freek zitten. Zijn vader had hem in zijn nieuwe wagen midden in de zon gereden en daar

Sluiten