Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zat hij het spel van de kinderen af te kijken. Fien liep naar hem toe.

„Wat heb jij een fijn karretje," zei ze.

„Ja," zei Freek, ,,'t is nieuw." Hij bewoog de handvatten even op en neer om te laten zien, dat hij het zelf ook rijden kon.

„Ken jij Peter van Dongen ?" vroeg Fien nu.

„Nou," zei Freek.

„Is hij met zijn vader mee op de wagen ?"

Freek zuchtte eens. „Nee, hij zit bij de andere jongens, ik denk wel achter de kerk." Ach ja, die Freek had zijn ogen niet in z'n zak. Hij wist precies, waar de jongens altijd heen gingen, al kon hij zelf niet mee.

„Hier op het eind van de straat?" vroeg Fien.

Freek knikte.

„Dan ga ik daar ook heen," zei Fien opgewekt. Ze merkte niet, dat Freek haar meer dan verbaasd nakeek. Ze vond het heel gewoon, dat ze goede maatjes was met zo'n aardigen jongen als Peter.

Ze vond het smalle weggetje naast de kerkmuur. O, wat leuk. Verrast keek ze naar het smalle paadje. Het was grappig om daar langs te lopen. Ze hoorde de jongens achter de muur. Neen, ze dacht er geen ogenblik aan om over die muur heen te klimmen. Ze begreep, dat er ergens een hek moest zijn, waar ze door kon.

Dat hek vond ze. Naast het hek was de kosters woning en voor die kosterswoning stond de kostersvrouw haar wekelijkse was te doen. Ze had een tobbe vol zeepsop voor zich staan, het schuim spatte tot over haar opgestroopte mouwen. Een mooi gezicht. Fien stond met onverholen belangstelling een ogenblik naar haar te kijken.

„Wel, jongedame, wat kom jij hier doen ?" vroeg de kostersvrouw.

Sluiten