Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vertelde uitvoerig, waar ze haar kleine beschermeling naar toe gebracht had.

Peter raakte in vuur.

„Jongens, daar maken we ons padvindershol," riep hij.

Hij sprong op. „Kom mee, dan gaan we kijken."

„Ik mag toch zeker ook mee ?" vroeg Fien.

Peter zocht een uitvlucht. „Kun jij over een muur klimmen?"

„Dat-hoef ik niet. Ik ga wel weer door het hek," antwoordde Fien. - - -

„Meisjes kunnen geen padvinder zijn," zei Jaap nu.

Fien verweerde zich. „Wel akela."

Dat woord kenden de jongens nog niet, zo bedroefd weinig wisten ze van de echte padvinderij af! Maar ze wilden niet weten, dat ze zo dom waren.

„We kunnen het best eens met haar proberen," zei Peter daarom goedgunstig. „Vooruit, daar gaan we."

Peter ging bok staan en beurt om beurt klommen de jongens over zijn rug op de muur. Peter zelf krabbelde langs de verweerde stenen naar boven. Fien stond plezierig toe te kijken. Toen alle jongens verdwenen waren, ging ze weer terug naar de kostersvrouw.

„Er is niemand," zo stelde ze haar gerust. „Ikhoorde de jongens op het pad achter de muur. Ze zullen hier niet komen."

„Dat is ze geraden," zei de kostersvrouw.

Sluiten