Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

haar hand. Ze wist niet, hoe recht ze wel liep en hoe dapper ze haar hoofd achterover hield.

Over de ophaalbrug van het kanaal kwam iemand gefietst, die dat alles wél zag. Die Fien had altijd stroppen. Daar kwam tante Fien aangefietst. Tante Fien, dat moet eenieder wel begrijpen, was een beste peettante. Ze hield van Fien en Fien zelf vond haar erg aardig. Ja, zo af en toe was ze werkelijk groots op haar. Ze kon zo gezellig net doen, of ze zelf een meisje was. Ze ging ook nog school — want ze was onderwijzeres — en nu had ze vacantie, juist als Fien en juist als de jongens. Maar waarom moest ze nu juist de weg op komen fietsen, waar Fien haar nieuwe vrienden wilde inhalen ? Het mankeerde er nog maar aan, dat ze Fien echt met de jongens had gezien! Niet, dat tante Fien klikken zou. Neen, Fien wist heel goed, dat zoiets niet in haar opkwam. Maar ze kon soms zo onhandig zijn. Ze vroeg dingen, terwijl de zusjes erbij waren. En dan vond Letta de rest wel uit. Ja, het was werkelijk niet makkelijk om de jongste te zijn!

Tante Fien reed haar nichtje achterop. Ze riep met haar vrolijkste, joligste stem: ,,Ha, Fientje, waarheen gaat de reis ?"

Fien draaide haar schort nog wat vaster in elkaar. Goede hemel, tante Fien! „Zo maar ergens heen," zei ze.

,,Ik ga ook zo maar ergens heen," zong tante Fien. ,,Dat doe je met je vacantie!"

„Ik dacht dat u op reis ging, naar.... naar Indië." Fien verzon maar wat.

Tante schaterlachte. „Dat doe ik ook. Ga je mee?"

„Vanmorgen niet," zei Fien voorzichtig.

„Waarom niet ? Vooruit, stap op, achter op m'n lastdrager. Misschien halen we het vanmorgen wel tot het Suez-kanaal."

Sluiten