Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ze bedoelde tante Fien, niet de kleine Fien, die nu naar de boompjes in de tuin stond te kijken. Akelige kleine, hardgroene boompjes, die er uitzagen, of ze nodig eens met de stofzuiger bewerkt moesten worden.

„Mevrouw de Ronde, wat is er hier aan de hand?" vroeg tante Fien. „Waarom doet u zo geheimzinnig met uw bel ?"

„O!" Mevrouw de Ronde proestte en kleine Fien zette haar oren open. Mevrouw de Ronde was zo grappig. Ze had het altijd erg druk, want ze verhuurde kamers, maar ze wist altijd iets te verzinnen om het gezellig te hebben bij al haar drukte.

„Verbeeldje," zei ze nu, „we zijn ziek!"

„We ? U ? U ziet er helemaal niet ziek uit!"

„Mevrouw de douairière is ziek. Ziek van verdriet!"

„Och!" Tante Fien wist niet hoe ze het had. Mevrouw de douairière was een dame, die op een van de kamers woonde. Ze was rijk en betaalde veel geld. Daarvoor moest ze dan ook goed bediend worden. Neen, tante Fien begreep niet, wat er voor grappigs was aan een ziekte van die oude dame.

„Kom mee," noodde mevrouw de Ronde. „Fientje, kom jij ook mee ? Ik heb nog een stukje ananaspudding over. Dat is juist iets voor jou."

Fien volgde wat verlegen. Ze vond zichzelf eigenlijk te groot om stukjes pudding te krijgen. Maar de pudding van mevrouw de Ronde was altijd erg lekker.

In de serre, waar mevrouw haar eigen zitje had en waar altijd haar mand met kapotte kousen stond — precies of ze wel zeven jongens had, die alle dagen gaten in hun kousen vielen — schoof mevrouw de stoelen dicht bij elkaar. Ze praatte, of ze een samenzweerder was, geheimzinnig en zacht.

Sluiten