Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

maar in — en Troeletje neemt de benen. Ik heb er genoeg van, dacht hij zeker. Hij sprong uit het raam, hij stoof de weg op, en eerst had niemand dat nog in de gaten. Je begrijpt, die grote mensen hadden elkaar in zo'n tijd niet gezien. En de kleine jongetjes hielden hun mond. Die dachten: standjes komen altijd nog vroeg genoeg!

Het gekke is" — mevrouw de Ronde schudde haar hoofd net eender als de zuster op school, terwijl ze iemand een standje gaf — „het gekke is, dat ik het zag. Maar ik dacht bij mezelf: Laat het arme dier eens kuieren. Altijd opgesloten zitten. Nooit verder komen dan een klein miezerig achtertuintje! Dat is geen leven voor een hond. Ja, ik houd wel van dieren, maar het moet er niet zo flauw toegaan. Wel,'n uur naderhand zegt mevrouw: „Waar is Troeletje?"

„Hier is zijn halsband," zegt zo'n onnozele Indiër.

Mevrouw geeft een gil.

„Het hondje?" roept ze. „Waar is het hondje?"

„Misschien buiten," zeggen de kleine jongens. Dat soort kan klimmen als ratten. In een minimum van tijd waren de jongens het raam uit, ze liepen en ze riepen: „Troeletje, Troeletje!" Het was een dwaas gehoor. Dat heb je ervan, als je een hond niet fatsoenlijk Fanny of Bello noemt. Mevrouw zelf ging er warempel voor naar buiten. „Troeletje, Troeletje," riep ze mee. Maar er kwam geen Troeletje! Weineen! Dat arme dier vond het nog veel te gezellig langs de weg.

„Mevrouw, hij komt wel terug als hij honger krijgt," zei ik.

„Honger? Hij heeft nooit honger," snikte mevrouw.

Ik verzekerde haar, dat hij wel honger zou krijgen van het buiten lopen.

„Als hij maar niet overreden wordt!" Ze huilde warempel. De visite liep al heel treurig af. De jongens

Sluiten