Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kregen standjes en klappen. De mevrouw was boos, omdat haar jongens klappen kregen voor een hondje. Ten laatste waren ze allemaal zo kribberig, dat ze niet eens op de tram wilden wachten. Ik moest telefoneren om een taxi.

„Als die 't hondje maar niet overrijdt," waarschuwde ik nog. Ik deed, of ik heel wat voelde voor Troeletje, maar wat mij betreft, hoop ik, dat het beest nooit weerom komt."

„Die arme mevrouw Baars," zei tante Fien plagend.

„Kwam hij dan niet, toen hij honger kreeg, mevrouw?" vroeg Fien.

„Kun je denken! Hij is er nóg niet. We hebben de politie opgebeld. Het beest is voor de radio omgeroepen. Mevrouw Baars is er ziek van. Daarom — ja, daarom — heb ik de bel half af moeten zetten. Zij kan het lawaai niet velen."

„Was het een heel klein hondje, mevrouw?" vroeg Fien opeens.

„Welja! In de grond geen onaardig ding. Bruin, met van die zachte haartjes. Kleine kriebelpootjes en een paar verstandige oogjes. Als het maar niet zo'n akelig zoet diertje geweest was, zou ik er ook wel plezier in hebben gehad. Ik kon alleen dat zijden kussen en die naam Troeletje niet uitstaan!"

„Daar zou je ook naar van worden," zei tante Fien.

Fien keek peinzend voor zich uit. Een klein hondje! Met bruine, zachte haartjes en grappige oogjes! Ze zag het voor zich. En ze wist waar dat hondje was. Waar anders dan in het huisje onder aan de wal? Hoe zou Troeletje het maken bij de jongens ? Daar had hij het vast veel beter naar zijn zin dan op het kussen bij de vervelende mevrouw Baars!

Ik zal je niet verraden, dacht ze. Weineen! Hondjes mogen ook wel eens vacantie hebben!

Sluiten