Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Terwijl Fien van de pudding zat te snoepen, kropen de jongens langs de oude vestingwal. Ze moesten hun vacantie-padvindershol veroveren. Ze beslopen het langs vier kanten. Er was niemand te zien tussen de bomen, maar dat betekende nog niet, dat er geen vijanden waren. Die konden zich immers achter iedere stam en struik en tussen de groeven in de grond verscholen hebben. Wat een geluiden waren er niet daar in het halfduister van de schaduw! Er kraakten takken. Vogels vlogen kwetterend op, alsof ze gehinderd waren op hun nest. Als er een auto over de weg reed, dreunde de grond. Dat kon een vijandelijke colonne zijn, die langs de struiken speurde om te zien, of er soms onraad was. Ai, wat duurde het een tijd, eer de jongens beneden waren! En wat kropen ze geheimzinnig het huisje binnen! Maar toen ze de deur goed en wel achter zich dicht hadden — wat hoorden ze ? Rippeldetippel, ging het boven. Kef, kef, kef, deed een hondje.

Die Fien is toch nog zo kwaad niet, dacht Peter. Hij klom de ladder op en riep het hondje. „Tom, Tommie, kom je bij den baas ?" Dat kleine bruine hondje leek wel graag te luisteren naar de naam Tommie.

Wat deden de jongens die morgen? Wel, ze hadden het verbazend druk. Ze moesten wel twintig keer de wal op en af klimmen. Daar hadden ze telkens veel tijd voor nodig, want het moest alle keren even geheimzinnig. Nu dook er hier een jongenshoofd op, dan weer een paar meter verder. Ze moesten ook wel twintig keer heen en weer draven van de Vest naar de Dirklangedwarsstraat. Er moest water zijn in de blokhut, want het hondje Tommie moest drinken. Het was maargoed, dat die Tommie niet zo'n grote maag had, want uit het kleine emmertje water, dat Dirk de Wit bij zijn moeder had gehaald, werd meer dan de helft gemorst. De jongens moesten padvindersmessen hebben.

Sluiten