Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dwarsstraat. Peter sloot het hondje op de zolder.

Toen hij thuis kwam, had moeder de tafel nog niet gedekt. Vader was nog niet thuis. Heel de kinderschaar wachtte en keek uit. Peter zat een ogenblik stil bij zijn zusjes. Toen moest hij weer aan Tommie denken. Dat beestje zat daar maar, heel alleen, op die zolder. Als maar niemand anders hem vond. Het zag er daar uit, of er wel eens meer mensen kwamen. Stel je voor, dat ze Tommie eens wat deden. Ze konden hem meenemen om hem te verkopen aan een hondenwinkel. Welja, zo'n mooi hondje als Tommie zou misschien wel drie gulden opbrengen!

„Hè, moeder, daar komt Freek van den schoenmaker alweer buiten," riep een van de zusjes dreinerig. Het kind had honger!

Peter sloop de winkel door, naar buiten. Hij draafde in het stille middaguur de Vest af. Daar was hij boven het kruithuisje. Daar liet hij zich naar beneden glijden. „Tommie, Tommie ?" Het kleine hondje kwam welgemoed naar hem toe. Hij pakte het beet en hield het vast onder zijn arm. „Kom mee, Tommie. Ik zal je voor een half uurtje aan Freek van den schoenmaker geven."

Voorzichtig klom Peter terug naar boven. Hij stond nog veilig tussen het struikgewas, toen hij iemand aan hoorde komen langs de weg. Een gewone man ? Of soms een politieagent ? Voor alle zekerheid bleef de jongen even in de schaduw. De man hield vlak bij hem stil. Peter keek verbaasd. Want in het licht daar boven op de weg zag hij den kleinen man, die deze morgen met vader had gesproken. Hij keek naar links en rechts. Nu verdween ook hij in het struikgewas. Vlak langs Peter gleed hij naar beneden.

Wat moet die hier doen ? dacht Peter. Hij durfde toch niet te gaan kijken, of de kleine man soms in de blokhut ging.

Sluiten