Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VI. FREEK IS OOK EENS FIJN UIT

De kinderen in de Dirklangedwarsstraat aten nog. Je kon je dat zo indenken: achter alle ramen kamers, in alle kamers tafels, rond alle tafels kinderen en die smulden, smulden van de aardappelen met sla en de boontjes of het spek! Daarom was het nu zo stil in die zonnige straat, al was het dan ook vacantie! Alleen Freek van den schoenmaker zat al in het zonnetje. Zo'n zieke jongen moest profiteren van de zon. Hij werd het eerst geholpen. Daarbij had hij ook een maag als een mus. Geen wonder, dat hij het allereerste weer klaar was.

,,Ha, Freek," riep Peter.

Freek keek naar het hondje onder Peter's arm. Hij keek naar Peter zelf. Hij vond Peter den flinksten jongen van de straat en hij was er groots op, dat die Peter nu bij hem stil bleef staan en met hem wilde praten.

„Wat een mooi hondje heb je daar," zei Freek. Hij stak zijn lange witte hand naar het hondje uit.

„Het is een smokkelhondje," vertelde Peter. „Mijn moeder weet niet, dat ik het heb."

Toen bood Freek uit zichzelf aan, om het hondje onder het eten vast te houden.

„Kun jij dat wel?" vroeg Peter wantrouwig.

Sluiten