Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zei Freek. Zoiets zei hij niet dikwijls. Hij wist nu eenmaal, dat hij niet alles met de jongens mee kon doen.

„Zou je echt graag willen?" vroeg Peter. Toen zei hij: „Je kan nu toch, met dat ding." Hij bedoelde het ziekenwagentje.

„Denk je? Zou je mij mee willen hebben?"vroeg Freek.

„Welja, waarom niet ?" vroeg Peter. Hij maakte er dadelijk een spelletje van. „Jij bent van de ambulance. Jij komt in de achterhoede, om onze gewonde mannen te verzorgen."

„Moet ik het aan mijn moeder vragen ?" vroeg Freek.

„Weineen, je kunt nu toch zo wel mee," zei Peter.

De andere jongens van de troep kwamen ook al aangedraafd. Zij waren naar het huisje geweest en hadden er Tommie niet gevonden. „Het hondje is wég," riepen ze al uit de verte.

Peter deed verontwaardigd.

„Daar hoef je niet zo om te brullen. Ik heb het zolang aan Freek in bewaring gegeven."

Tommie's snuit kwam weer boven het zeildoek uit.

„Weg jij," deed Peter. „Kom, mannen, we gaan vanmiddag naar het rietland. Freek gaat ook mee."

„Freek?"

„Ja, waarom niet?" vroeg Peter. „Hij heeft nu toch dat ding!" Peter vond het blijkbaar zo gewoon, dat iedere jongen zich schaamde, er anders over te denken. Daar ging het koppeltje. Het leek wel, of Freek in zijn wagentje een erewacht van jongens om zich heen had.

En wat het malle was van het geval: niemand zag die jongens gaan! De kinderen van de Dirklangedwarsstraat hadden een luie bui die middag. Ze hingen allemaal nog wat in huis, ze zeurden en dreinden misschien een beetje en de allerkleinsten werden door de moeders in hun bedjes

Sluiten