Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

had menigmaal meegeholpen om zo'n vlieger te plakken, maar hij had nog nooit zo'n kleurig ding in de blauwe lucht zien staan. Wat zwenkte die kleine rode prachtig aan zijn staart! Wat steigerde die blauwe met de witte sterren bij het rukken van het touw!

Een arme jongen? Weineen! Een jongen, die nog schateren kan van het lachen, is heus niet arm. En die Freek schaterde! Hij schaterde om den kleinen dikken jongen, die te dicht aan de kant kwam en pardoes in het water viel. Kopje onder! Er waren daar handen genoeg om den drenkeling te grijpen. Hij stond toch zo beteuterd te kijken, toen hij druipnat aan de kant kwam. Daar kwam zijn moeder toegelopen. Ze schold: „Héb ik het niet gezegd ? Zo gaat het met onvoorzichtige jongens! En wie moet je broek uitwassen?"

„Willen wij het doen, juffrouw?" vroeg Peter.

Wat had die Freek een schik!

En het hondje! Het hondje mocht vooral niet vergeten worden. Zo'n klein troetelding, waar je akelig van wordt als je het bij de grote mensen ziet, is allergrappigst tussen een heel stel jongens. Tommie was door het dwaze heen. Hij rende op en neer met zijn pluimstaartje hoog in de lucht. Hij leerde in het water springen. Ja, de koukleum rilde wel! Maar hij greep dan toch het hout tussen zijn scherpe witte tandjes. Hij zwom ermee naar de kant. Hij had geen behulpzame handen nodig. Daar schudde hij zich. O, o, o, de waterdruppels spatten de breiende juffrouwen op haar handen. Die Freek — hij schudde van het lachen.

Het was voor de jongens ook makkelijk, dat Freek meegekomen was. Ze maakten een echt kamp en Freek was de bewaker. Toen ze naar de wilgenbosjes gingen, die wel een kwartier verderop lagen, paste Freek op de kousen

Sluiten