Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hij kwam ook bij de moeder van Peter. Die schudde haar hoofd. „Waar moet het heen, als zelfs de zieke jongens al weg zijn!" klaagde ze. „Ik kan me begrijpen, dat ik mijn Peter nooit vinden kan, maar uw Freek ! Schoenmaker, ik zou er niet gerust op zijn !^ Wie weet, wat zo'n armen zieken jongen overkomen is!"

„Ik begrijp niet, waar hij naar toe is," verzuchtte de

schoenmaker.

„Hij zal wel gedacht hebben, dat die ziekenwagen

zoveel als een auto is," meende moeder ,Hij zal er wel

mee de straat uit gehobbeld zijn. En dan de stad in. Al de bruggen op en af!" Moeders ogen werden groot en rond van angst om dien Freek. „Dat kan nooit goed gegaan zijn," zei ze. „Wie weet, wat er met hem gebeurd is!"

De schoenmaker werd nu zelf bang. Hij liep terug naar zijn huis. Daar gooide hij zijn schootsvel af. „Vrouw, ik moet dien dondersen jongen gaan zoeken, zei hij. „Dokter, als u zo lang wachten wilt?"

„Ik dank je hartelijk," zei de dokter. „Ik kom

vanavond nog wel eens langs."

Weg reed de auto weer. Maar in de Dirklangedwarsstraat liet de dokter een vreemd rumoer achter. Vrouwen en meisjes en mannen, voor zover ze er waren, kwamen naar buiten gelopen. Ze praatten met elkaar. Ze wisten al gauw heel wat van dien Freek te vertellen. Ja, ja, zo'n zieke jongen! Dien was het prachtige wagentje naar de kop gestegen. Groots als hij er mee was! Hij was ermee de stad in gereden. En ja, zo komt hoogmoed altijd voor de val. Nu had hij een ongeluk gekregen en hij lag voor dood in 't ziekenhuis, 't Wagentje was finaal vernield! Ja, dat was wat voor de mensen, die er hun geld aan hadden gegeven!

De schoenmaker haastte zich de straat uit, zonder op al de buren te letten. Ik ga eerst naar de politie, dacht

Sluiten