Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hij. Als er iets met den jongen gebeurd is, zullen ze het aan het bureau wel weten.

De commissaris van politie was de vriendelijkheid in persoon. Hij begreep terdege goed, dat de schoenmaker bang was om zijn zoontje. Zelf had hij een flinken, gezonden zoon en hij was er nog alle dagen beangst om. Zulke vlegels haalden van alles uit. Ach ja, daar waren het vlegels voor. Neen, hij had toch niets gehoord van een ongeluk met een ziek ventje. Hij zou de verschillende politieposten eens opbellen.

De telefoon ging en de commissaris sprak. Vader zat stil te wachten. Hij had zelf die hoorn wel aan zijn oor willen hebben om te kunnen horen, wat er aan de andere kant van de lijn gezegd werd. Telkens verwachtte hij, dat de commissaris de hoorn neerleggen zou en zachtjes zou zeggen: „Schoenmaker, het is mis, hoor!" Dat gebeurde toch niet!

„Uw zoontje is nergens gezien," zei de commissaris ten laatste. „Een ongeluk is er dus vast niet met hem gebeurd."

„Als hij maar niet in het water is gereden," verzuchtte vader.

„Dat gaat toch niet onopgemerkt," meende de commissaris.

Vader ging terug naar huis. Hij maakte een omweg van wel een uur. Telkens dacht hij: Misschien is de jongen wel deze kant uitgereden. Of: Zie ik daar niet een ziekenwagentje? Toen hij eindelijk thuis kwam, vond hij Freek's moeder in tranen. Die arme vrouw was zo overstuur, dat ze haar was niet eens af had kunnen maken.

Die middag kwam toch om. In de Dirklangedwarsstraat was het toch niet zó als andere middagen. Daar

Het avontuur van Fien en Peter - 6

Sluiten