Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

was niet de rechte vrolijkheid. De kinderen stonden telkens te wachten en uit te kijken. De moeders liepen geregeld de straat op om eens even met elkaar over Freek te kunnen praten. En de schoenmaker liep in en uit zijn huisje als een weermannetje.

„Waar is die vlegel van jou toch naar toe?" vroeg hij wel tien keer aan Peter' s moeder.

„Joostje mag het weten," antwoordde die. Zij kon zich over Peter geen zorg maken. Als ze daaraan begon — o hemel, dan had ze geen leven meer!

Zes uur! Het was niet te geloven, maar eindelijk werd het dan toch ook die middag zes uur. De gouden cijfers van de wijzerplaat stonden nog in een trillend wit zonlicht, de zware klokketoon riep het bijna dreigend na het vrolijke wijsje, dat het carillon had gespeeld. Zes uur! Nu krijgen de kinderen weer honger. Zes uur! Nu komen de jongens weer thuis!

En ze liepen over de weg, die jongens! En ze sloften naast het ziekenwagentje, want ze hadden zich moe gespeeld. En ze praatten niettemin druk over alles, wat ze gedaan hadden. Ze hadden er zulke woorden voor nodig! Eer ze bij de Dirklangedwarsstraat waren, was het vrije veld zo groot als de halve wereld, de wilgenbosjes lagen wel meer dan een uur ver weg! Ze hadden allemaal in het water gelegen. De oude heer had repen gegeven, zo groot als boomstammen. En Freek, de zieke Freek, die nog nooit met kornuiten uit was geweest — hij was een kameraad uit duizenden. Hij kon haast nog beter spelen dan een jongen met gezonde benen. Zat hij nu nóg niet met het hondje onder het zeil? En had hij niet beloofd, dat diertje te bewaren tot na het boterhameten? Freek mocht voortaan alle dagen mee. Ten minste: als de jongens naar het vrije veld gingen!

Sluiten