Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tranen zag. Hij schudde warempel Freek boos heen en weer aan zijn arm. Het scheelde weinig, of hij had hem een fikse draai om zijn oren gegeven. Maar wat

gebeurde daar?

Kefferdekef, deed het kleine hondje. Het schrok blijkbaar van dien bozen schoenmaker. Het stoof onder het zeildoek vandaan en rende de straat op.

„Tommie!" riep Freek verschrikt.

,,Ik zal jou Tommiën," mopperde de schoenmaker. Hij duwde zelf Freek's wagentje naar huis en hij lette er helemaal niet op, dat Freek hotste en schudde op de keien. Iedere jongen zou het akelig gevonden hebben, als zijn vader zó kwaad op hem geweest was na een fijne middag. Maar Freek was nu eenmaal niet net als een andere jongen. In zijn hart vond hij het fijn, nu ook een echt standje te krijgen.

Peter krijgt vast alle dagen standjes, dacht hij. rlij had zijn leven lang al op dien Peter willen lijken!

En Peter zelf?

Die draafde achter het hondje aan. Hij wilde het vangen, kost wat kost. En hij zóu dat ook gedaan hebben, als zijn vader het er niet op gezet had om hém te vangen. Vader zag hem draven. Met vier, vijf passen kwam hij vanuit de winkel midden in de straat. Hij greep Peter beet en kneep hem stevig in zijn armen.

„Vader, laat me los! Ik wou...."

,Jij hebt niets te willen," zei vader. ,,Jij moet thuis komen en tegelijk met de andere kinderen je boterham eten. Ik hou van regel in mijn huis!"

En zo moest Peter naar binnen.

En zo draafde het hondje de stad weer in. Hippeldetrippel, wat een kostelijk klein ding was het toch en wat zwaaide het grappig met zijn pluim van een staart!

Sluiten