Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VIL PETER VECHT VOOR DE EER VAN THUIS

Moeder telde: „Zeven keer vier is achtentwintig — en vader zes maakt vierendertig en dan nog drie voor mijn persoontje, ziezo, ik ben er!"

Ze zuchtte van voldoening. Dat had ze hem toch knap geleverd, het brood was op en ieder had precies genoeg. Hier en daar was er een sneetje wat dun uitgevallen, maar dat kon de beste overkomen. Ze zuchtte alleen wat dieper en mistroostiger, toen ze in het blauwe boterpotje keek. Neen, daar zat niet meer voor zevenendertig sneetjes in. Ze zou niet meer dan de helft kunnen smeren en de andere helft zou ze er bovenop moeten leggen. Ja, zo hebben moeders hun bizondere zorgen.

Peter keek moeder op haar handen. Dat deed hij graag. Hij vond het zo maar mooi, te zien, hoe ze telkens met het mes in het potje dook, een klein kluitje boter naar boven wipte en daarmede een hele boterham rond kwam. Telkens wedde hij met zichzelf: „Nu komt ze te kort." En nooit kwam ze te kort. Er was maar een heel klein kluitje nodig om een grote boterham rond te smeren.

„Moeder, die bovenste is nog niet gesmeerd," waarschuwde hij, toen moeder de eerste droge boterham op zijn gesmeerde kameraad drukte.

Sluiten