Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Die woont bij mevrouw de Ronde, weet je, aan de overkant van het kanaal. Ze vindt het verschrikkelijk, dat het hondje weg is. Ze is er ziek van. En ze heeft vijfentwintig gulden beloning uitgeloofd voor wie het vinden zal."

„Vijfentwintig gulden ?" vroeg Peter. Hij zag dat geld al voor zich. Als je er dubbeltjes van maakte, had je een zak vol! Wat gemeen, dat hij nu dat hondje weer kwijt moest zijn!

„Ik zou het toch voor vijfentwintig gulden niet teruggebracht hebben," zei Fien. „Het had net zo'n akelig leven voor een hondje! Altijd maar op een zijden kussen zitten! Mevrouw de Ronde zei ook, dat het verschrikkelijk was."

Peter deed er het zwijgen toe.

„Zou jij het voor vijfentwintig gulden teruggebracht hebben ?" vroeg Fien toen op den man af.

Peter floot eens. „Ik wel," zei hij.

„Wat doe je nou met geld ?" vroeg Fien minachtend.

„Ik zou het aan mijn moeder geven," zei Peter. „Die kon er boter voor kopen. Wij hadden vanavond maar de helft van onze boterhammen met boter."

Daar schrok Fien van! Boter? Haar vader had vaten vol boter. En zij had nog nooit een droge boterham van haar moeder gehad.

„Jullie zijn toch niet arm?" vroeg ze. „Jullie hebben toch een winkel?"

Eigenlijk vond Peter dat ze gelijk had! Hoe kon iemand, die in zo'n fijne groente- en fruitwinkel woonde, arm zijn? Gelukkig dacht hij intijds aan den heiligen Antonius, hergever van verloren zaken. „Mijn moeder heeft al haar geld verloren," zei hij.

„O, gespeculeerd!" riep Fien uit. „Net als mijn

Sluiten