Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VIII. FIEN EN PETER WORDEN WOONWAGENKINDEREN

Toen moeder het kamertje weer uit was, draaide Peter zich om en hij sliep. Maar daarmee waren zijn moeilijkheden niet van de baan. Toen hij de volgende morgen wakker werd, stonden ze hem meteen allemaal voor de geest. Ze leken wel door de kier van de deur naar binnen gegleden, met het weinigje licht uit de gang en de bekende geluiden uit de winkel en de keuken.

Peter dacht er eens ernstig over na.

Wat een opgaaf!

Hij moest voor moeder die vijfentwintig gulden verdienen. Dat allereerst. Hij zou aan den koster van de kerk gaan vragen, of die ze om wilde wisselen voor dubbeltjes en centen. Dan bracht hij een zak vol geld mee naar huis.

Maar hij mocht niet vergeten, dat hij de aanvoerder was van de padvinders. Die Joop mocht hem niet voor een tweede keer uit kunnen lachen. Hij zou iets moeten doen, om te maken, dat de andere jongens gerust arme straathonden in het kleine huisje onder aan de Vest konden brengen. Die honden moesten te eten hebben! Peter lag, met zijn handen onder zijn kin, op zijn buik. Zo broedde hij wel eens meer een plannetje uit. En vandaag ging het

Het avontuur van Fien en Peter - 7

Sluiten