Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

die andere jurken aardiger. Ze leek zo haast op een zusje van Joop Martens.

De twee kinderen liepen de stad in. Peter wilde maar liefst weer de kant van de groenteveiling op. Daar had hij Tommie immers voor de eerste keer ook gevonden. Honden liepen altijd terug naar de plaatsen, waar ze vroeger ook geweest waren. Fien was het eerst in alles met Peter eens. Pas toen ze in de winkelstraten kwam, begon ze uitvluchtjes te verzinnen.

Dat was dan zo. Fien was op een meisjesschool in het hartje van de stad. Natuurlijk was die school nu gesloten en zeker zou ze niemand van de zusters zien. Maar de meesten van haar klasgenootjes woonden ook in het hartje van de stad. Eerst had Fien plezierig Jopen denken: Als ik Thea eens tegenkwam! Of Marietje! Of Annie van Dongen! Wat een ogen zouden die opzetten! Maar toen zag ze... • eerst zichzelf in de grote ruit van een hotel. Wat zag ze er gek uit! Net, of ze een toneelstuk moest gaan doen met Peter samen. Maar ze liep in de stad en niemand anders zou zeker aan een toneelstuk denken. Iedere dame die ze tegenkwam zou zeggen: „Och, dat arme meisje! Haar moeder kan zeker niet naaien. Wat is die jurk mal lang." Was Fien maar een echt woonwagenkind geweest, dan zou ze daar niet om gegeven hebben.

Tja, dat was ze toch niet. Telkens moest ze er aan denken, dat ze feitelijk Fien uit de winkel was, dat ze hier alle dagen langs ging met haar vriendinnetjes. Dat die vriendinnetjes er allemaal keurig uitzagen. En dat zij zelf er ook altijd keurig had uitgezien. Toen .... zag ze tot overmaat van ramp Loes Vercamp in de verte aankomen. Die Loes was nu precies het enige kind in de klas waar ze niet van hield. Ze was een opschepster. Ze praatte altijd met een heel hoge stem. Ze had het over papa en mama

Sluiten