Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gauw. Ze verzon maar wat: „Hondjes lopen altijd in steegjes."

„Ik wilde bij dat hotel vragen om afval," zei Peter.

„Aan de voordeur zeker," riep Fien. „Gekkerd, dan moet je juist in die steeg zijn."

Ze liep voor Peter uit, bijna op een drafje. Ze was gelukkig in de steeg, eer Loes de brug opkwam.

„Wat heb je een haast," bromde Peter.

„Nu, we moeten toch opschieten," antwoordde Fien. „Verbeeld je, dat een ander het hondje vindt!"

Daar kon Peter weer niets op zeggen. Hij belde aan de achterdeur van het hotel. Nu zou het bedelen beginnen. En weer voelde Fien iets, wat zij niet verwacht had! Ze vond het zo maar verschrikkelijk om te bedelen! Verbeeld je, dat die meneer van het hotel haar vader eens kende. En dat hij op een goede dag eens tegen vader zei: „Ik heb uw dochtertje ook aan de achterdeur gehad om afval. Gaat het goed met de honden ?" Dan zou vader even boos zijn!

Fien schoof voetje voor voetje achteruit, terwijl Peter juist dichter tegen de deur ging hangen. Hij had geen last van verlegenheid. Zodra hij stappen hoorde in de gang achter de gesloten deur, begon hij te zingen. Zo hard en schor! Ze moeten het in de hoofdstraat wel horen, dacht Fien benauwd.

„Heb je mijn marmotje niet gezien, het is zo'n aardig beestje...." .

Een dienstmeisje deed het kleine luikje in de deur open.

„Maak maar gauw dat je wegkomt," riep ze.

Peter was zo in zijn rol, dat hij vergat, waarvoor hij liep te bedelen.

Sluiten