Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van de honger. We willen nu wat voor hen ophalen, begrijpt u."

„Ik begrijp er niets van," zei de oudejuffrouw. „Wat moeten jullie met twintig honden doen ?"

„We houden zo van honden," zei Fien met een benauwd stemmetje. „Hebt u soms geen klein bruin hondje gezien? Dat zijn we gisteren verloren."

„Neen, ik heb geen bruin hondje gezien," zei de juffrouw beslist.

„Hebt u soms wat oud brood voor ons?" vroeg Peter toen.

„Hoor eens, een boterham zal ik niemand weigeren," zei de juffrouw. „Maar aan de honden geef ik het niet. Kom maar mee achter het huis, dan kun je dat brood voor mijn eigen ogen opeten."

Peter noch Fien durfde de boterham weigeren. Ja, die Peter wilde niet eens. Hij had zo'n rare maag. Daar konden de hele dag wel boterhammen in. Maar Fien keek met een benauwd gezicht naar de dikke snee tarwebrood, waar de goede juffrouw nog wel boter en suiker op gedaan had. Zij was door haar moeder verwend. Ze kreeg altijd alleen dunne sneetjes. Ze deed haar uiterste best om even vlug te eten als Peter, maar het brood bleef haar bijna in de keel steken. Ze was blij, toen de juffrouw, die met een streng gezicht stond te kijken, zich even omkeerde. Gauw stopte ze toen Peter de laatste korst toe. Die begon daar toen dadelijk aan te eten, of het zijn eigen stuk was.

„Dank u wel, juffrouw, dank u wel, hoor," riep hij zangerig bij het weggaan. Hij was toch zo'n echt zigeunerkind ! Fien kon het hem niet nazeggen. Ze deed het erom, dacht ze. Ze wist best, dat ik geen honger had!

Twee arme, arme kinderen in een mooie villawijk!

Sluiten