Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— Fien hoorde het ook: dat hondje leek wel net eender als Tommie te blaffen.

Maar niet alleen dat blaffen hoorde Fien — ze hoorde ook een stem, die haar bekend voorkwam. Een vrolijke stem, die jolig zei: „Ik maak meteen dat ik wegkom. Ik sta er verstomd over. Hóé komt dat beest hier, zou je zeggen!"

Fien dacht nog: Van wie is die stem ? toen de deur al open ging.

„O," gilde Fien. Ze kon het niet helpen. Ze kon zich niet inhouden van verrassing.

Daar stond tante Fien! Vast had ze hier in de villawijk een vriendin wonen, tante Fien had overal haar vriendinnen ! Ze stond daar en keek met ogen als guldens naar haar nichtje. En ze stond daar — met Tommie in haar armen.

Peter kende tante Fien niet. Hij dacht, dat Fien zo verrast naar het hondje keek.

„Dat is mijn hond," zei hij dadelijk met zijn fermste stem. Hij riep: „Tommie, Tommie, Tommie!"

Het kleine hondje was het zijden kussen van mevrouw Baars vast allang vergeten. Maar de stem van het kleine baasje, dat een hele dag met hem had gestoeid, kende hij. Hij kefte vrolijk. Hij spartelde. Ja, de zoete Tommie spartelde. Hij trapte tegen tantes zijden japonnetje aan. Hij haakte erin met zijn nagels, zodat tante verschrikt dat pootje weer los ging maken. Toen had ze het hondje een ogenblikje niet zo stevig vast. Tommie voelde het. Hij spartelde op de grond en holde de tuin in en de weg op. Van weglopen had hij nu de slag te pakken.

,Fien, Fien, houd hem," riep Peter.

En Peter draafde het hondje na.

En Fien draafde Peter na.

Sluiten