Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Weet je wie het hondje gevonden had?" vroeg ze aan Peter.

„Ik niet," zei Peter onverschillig.

„Het was mijn tante," zei Fien.

„O!" Peter vond het niet zo erg.

„Maar ze zal ons verklappen aan mevrouw Baars," riep Fien uit.

„Hè ? Wat ?" Die Peter snapte nog niets.

„Ze zal zeggen, dat wij het hondje eigenlijk niet gevonden hebben," legde Fien uit. „Zij had het in haar arm. En wij maakten het aan het schrikken. Toen liep het weg. Als tante Fien het nu nog had, zou ze het vast naar mevrouw Baars gebracht hebben. Dan had zij nu de vijfentwintig gulden!"

Dat maakte indruk op Peter.

„Zou je tante dadelijk naar die mevrouw Baars gegaan zijn, om te vertellen, dat wij het hondje hadden ?" vroeg hij.

„Dat geloof ik toch niet," zei Fien nadenkend. „Weet je, ze gaat niet zo graag naar mevrouw Baars."

Peter stond weer op van de rand van de stoep, waarop hij zo makkelijk mogelijk had gezeten. „Kom mee," beval hij kort.

„Waarheen ?" vroeg Fien.

„Naar die mevrouw," zei Peter. „We moeten de buit binnen hebben, eer je tante daar komt!"

„Wou je Tommie meteen wegbrengen ?" Neen, dat viel Fien toch tegen. Ze had nog even met Tommie willen spelen. Ze had al bedacht, dat ze nodig zijn krullenhuidje eerst netjes op orde moest brengen. Hij zag er uit als een straathond.

Ze bekeek Peter eens en ze keek ook eens naar zichzelf. Zij tweeën zagen er ook uit als echte straatkinderen.

Sluiten