Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Ach, kind, ach, kind," zuchtte moeder.

„Hébben ze vader opgepakt, moeder?" vroeg Peter dreigend.

Hij stond daar voor de tafel, alsof hij zeggen wou: „Is het waar? Nu, let op! Ik zal er op uit gaan, om hem terug te halen. Ik wil niet, dat mijn vader bij de politie zit!"

„Kind, kind, doe toch niet zo astrant," snikte moeder.

Er stond een bloempotje op de tafel en dat had Peter graag eens opgepakt en midden door de kamer gegooid. Zijn vader!

„Kwam er een klabak, moeder?" vroeg hij.

„Wel twee," riep een zusje met een schril stemmetje.

„Hebben ze het allemaal gezien?" vroeg Peter.

,,De hele straat," riep een ander zusje.

En Joop Martens, dacht Peter. En de andere jongens. En de schoenmaker. En Freek. En Joop z'n moeder. — Toen ineens was het, of hij vader zelf zag. Vader, die misschien met Tony bezig was geweest, die naar de agenten toe was gekomen en hun misschien wel appelen had willen verkopen.

„Wij hebben andere appelen voor jou te koop," zei de ene agent, die hele lange. „Jij moet mee naar het bureau!"

Waarom ? Waarom hadden ze vader meegenomen ?

Peter viel neer op een stoel en hij bonkte met zijn armen op de tafel. „Mijn vader is geen dief," riep hij kwaad. „Mijn vader is geen dief!"

Toen huilde hij net even hard als moeder en de zusjes.

O, o, wat een droevige middag was dat in de kamer achter de groentekelder!

Er kwam iemand de winkel binnen. De bel was zo zacht gegaan, het was of dat belletje zeggen wilde: „Blijf

Sluiten