Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Peter kwam wat dichterbij staan.

„Je weet toch alles van smokkelaars af, Peter?" vroeg de kapelaan.

Ja, óf Peter daar alles van wist. Hele verhalen had hij er van horen vertellen door de jongens op school, die er over gelezen hadden in de krant. Zijn vader wilde nooit, dat hij de krant las. ,,Die is goed voor de grote mensen," zei hij.

„Mijn vader is geen smokkelaar," riep Peter uit.

De kapelaan hoorde heel goed, hoe best of Peter zijn eigen vader vond. Hij knikte goedkeurend.

„Zo moet je doen, Peter," zei hij. „Kom voor je vader op, jongen!" Hij verschoof eens op zijn stoel. „Je weet toch wel, Peter, dat de zaken niet zo goed gingen de laatste tijd?"

Ja, dat had Peter eindelijk gisteren gemerkt.

„Zie je, je vader verkocht wel veel, maar hij verdiende er niet genoeg mee."

Ook dat kon Peter begrijpen. Zijn vader had allemaal klanten, die graag voor weinig geld veel groenten wilden hebben. Dikwijls had hij vader horen verzuchten: „Het gaat eigenlijk niet." Maar ook altijd weer had hij hem daarachter horen zeggen: „Alla, beter wat dan niets!"

„Wel, Peter" — de kapelaan praatte zachtjes door — „je beste vader had haast geen geld meer om eten voor jullie te kopen."

Weer knikte Peter. Ook dat wist hij.

„Toen wilde je vader er graag wat bij verdienen. Dat was juist flink van hem, Peter. Kranig. Je kan groots zijn op je vader. Hij wilde voor jullie allemaal zoveel verdienen als hij maar kon."

Peter had zijn tranen alweer afgedroogd en hij stond rechtop. Hij keek den kapelaan met grote ogen aan.

Sluiten