Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Toch hing ze een ogenblik later weer uit het raam. Maar daar schoot ze terug, als de wind zo vlug. Ze klapte haar boek dicht en wilde de kamer uitlopen.

„Waar ga je nu opeens heen?" vroeg moeder.

„O, nergens heen," zei Fien.

„Nergens is zo ver weg. Ik zou wel eens willen weten, wie je daar aan zag komen."

,.Niemand, ik bedoel" — Fien wilde toch niet jokken— „tante Cor komt daar aan."

„Tante Cor? Moetje daarvoor weggaan?"

„Sophietje en Alida zijn bij haar."

Fien keek heel ongelukkig en boos. Waarom hield moeder haar nu zo tegen ? Als Sophietje en Alida eenmaal boven waren, kon ze niet meer terug. Dan zou ze met die twee moeten spelen. O, die Fien hield helemaal niet van nichtjes!

Moeder deed, of ze niets van Fien's boosheid merkte.

„Dat komt heel goed uit," zei ze. „Jij zit je maar te vervelen. Ik vind het leuk, dat er een paar speelkameraadjes voor je komen."

„Speelkameraadjes!" mopperde Fien. Ze stond tegen een stoel te hangen, toen tante Cor zuchtend en hijgend de kamer binnen kwam.

Tante Cor was dik. Nu ja! Maar ze droeg daarbij ook altijd heel wijde mantels en een sjaal met een strik onder haar kin en een grote hoed met een flaprand. En ze dacht er nooit aan, zich in de gang uit te kleden. Er was altijd zoveel van tante Cor tegelijk in de kamer.

„Wat is het warm," zei ze, terwijl ze de das losmaakte en haar hoed van haar hoofd aflichtte. „Kinderen, waar zijn jullie ?" Ja, de tweelingen Sophietje en Alida leken wel verloren achter tante Cor's brede rug. „Toe, breng mijn hoed eens weg. En mijn mantel. O, wat is het warm."

Sluiten