Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Kind, moet je dan niet even uitrusten ?" vroeg tante Cor verbaasd.

„Ik ben helemaal niet moe," jokte Fien.

„En net liep je te sloffen," zei Sophietje.

„En je wou al eerder teruggaan, omdat je het zo'n akelig eind vond," klikte Alida.

„Komaan, een halve sinaasappel kun je wel eten," zei tante Cor.

Toen moest Fien ook nog naar binnen. Ze moest de halve sinaasappel eten. Ze moest nog een kwartier zitten op de akelige divan van tante Cor, waar je de veren door voelde. En eindelijk kon ze dan toch terug.

Naar huis ?

Fien dacht er niet over. Ze ging naar Peter. Ze zou hem gauw vertellen, dat hij het hondje weg kon brengen. Ze ging nog met hem mee ook. Ja zeker! Ze wou die vijfentwintig gulden zelf wel eens zien. Ze had wel eens meer vijfentwintig gulden gezien, in de winkel. Maar dat was heel iets anders dan vijfentwintig gulden, die je in je hand kon houden en die je vriendje aan zijn moeder geven zou. Fien draafde. Ze vergat haar moeheid. Och, ze was ook niet moe. Alleen dat sloffen en dat vervelende winkels kijken had haar geprikt in haar benen.

Ze liep in haar eentje in drie kwartier hetzelfde eind, waar ze met tante Cor anderhalf uur over had gedaan. Daar zag ze de torenklok alweer. Het was al bij vijven! Daar zag ze de Dirklangedwarsstraat. Wat speelden daar toch weer een kinderen! De jongen in het ziekenwagentje was ook weer buiten. En er waren heel wat grotere jongens ook. Maar Peter was er niet! Waar zou die Peter uithangen ?

Fien draafde door de Dirklangedwarsstraat. Ze vroeg aan geen van de jongens, of die wisten, waar Peter was.

Sluiten