Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Nu, als ze niet zo verschrikkelijk moe was geweest, zou ze zeker niet veel verdiensten hebben gehad van het wegbrengen van Tommie. Ze deed het eigenlijk graag. Ze was zó benieuwd naar het gezicht van mevrouw de Ronde. Ze zag die goede dame haar handen al in elkaar slaan. Ze zou ook vast wel moeten praten als Brugman om die vijfentwintig gulden te krijgen. Ja, dat deed ze allemaal graag. Alleen — wat was ze moe! Wat was ze verschrikkelijk moe!

Daar zag ze de huisjes beneden aan de wal. Ten minste — het nokje van een der daken en een stipje van een muur. Dat groen rondom was toch dicht. Als daar iemand verscholen zat, kon geen mens hem zien van boven af.

Fien liep naar beneden. Ze deed heel voorzichtig. Waarom ? Dat vroeg ze zichzelf niet af. Nu de zon zo ver was weggetrokken, was het onder de bomen dubbel duister. Het leek, of achter die struiken en onder aan de wal het andere einde van de wereld was. Fien deed vanzelf voorzichtig. Ze gleed en gleed.

Had ze nu wel het goede paadje? Ze kon zich niet herinneren, dat ze met de jongens zo steil naar beneden was gegaan. Daar verloor ze zelfs haar evenwicht. Ze viel. Haar voet haakte in een wortel. Een ogenblik hing ze met haar hoofd naar beneden. O, wat deed die voet pijn! Ze had wel kunnen gillen.

En toch gilde ze niet. Het was juist, of iemand een hand voor haar mond hield. Misschien was het haar engelbewaarder wel, die haar influisterde: „Pas op, Fien! Niet gillen."

Na een kort ogenblikje gaf de wortel om haar voet mee. Ze gleed verder naar beneden, tot ze door dicht struikgewas werd tegengehouden. Daar zat ze nu met een

Sluiten