Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kussen van mevrouw was, en dat hij heel geen leven maken mócht.

Ergens anders werd het wel levendig. Hoog in de lucht begon het te grommelen. De donkere wolken rolden tegen elkaar. Dat knalde. Een snelle bliksemstraal sloeg dwars door de grauwe wolkengevaarten.

Gelukkig was Fien niet bang van onweer. Liefst ging ze met vader naar buiten, om naar het mooie slechte weer te kijken. Nu dacht ze alleen: O, als het zo onweert, zal Peter vast niet gauw komen. En mijn voet doet zo'n zeer. Ze ging bidden. Ze dacht aan haar engelbewaarder, die nu misschien tussen het groen naar haar keek. Het was veel prettiger om aan den lichten engel te denken dan aan den akeligen man, die nu in het huisje wachtte, tot de bui over zou zijn. Hij komt in ieder geval nu niet buiten, dacht Fien.

Af en toe zag ze het lichten door de bladeren heen schijnen. Als er nu eens iemand langs kwam, juist terwijl het bliksemde, dacht ze, zou die mij dan zien. . .. ?

Ze probeerde nóg weer eens om zich op te trekken. Maar het ging eenvoudig niet. Ze had misschien haar voet wel gebroken! Ze werd van de pijn en van het wachten nog veel meer moe dan ze al was. Haar ogen werden zo zwaar. En de regen ruiste zo stil en lief tussen al dat rommelen boven in de wolken. Ze werd er slaperig van. Slapen kon nooit kwaad, dacht ze nog. Peter zou haar wel vinden, ook al sliep ze.

Toen het onweer uitbrak, zei de moeder van Fien: „Wat vind ik het naar, dat die Fien nog niet thuis is." Tante Fien, die al die tijd gebleven was — ze had

Sluiten