Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

haar handwerkje bij zich — zei, nadat ze eerst haar stokjes had afgeteld: „Misschien is ze wel met Sophietje en Alida blijven spelen."

„Ja, dat geloof ik," zei moeder. Moeder was wél bang van onweer. Ze stelde zich altijd allerlei verschrikkelijke dingen voor. Dat deed ze, omdat ze zoveel van Fien hield.

„Die Fien is zo onvoorzichtig," zei ze. „Als ze maar niet onder een boom is gaan schuilen. Je weet, dat een boom gevaarlijk is."

„Och kom, die Fien loopt in geen zeven sloten tegelijk," stelde tante Fien haar gerust.

„Als ze er maar aan gedacht heeft om een winkel binnen te gaan," ging moeder ongedurig voort. Ze liep telkens naar het raam om de gracht af te kijken. Ze wist wel, dat Fien niet bang was. Dat kind zou doorlopen, al bliksemde het onafgebroken een kwartier achter elkaar.

„Wacht, ik zal tante Gor even opbellen," zei tante Fien. „Dan wéten we het ten minste, als die Fien daar schuilt."

De telefoonbei rinkelde en tante praatte. Vanuit de verte antwoordde tante Cor: „Fientje nog niet thuis? Maar dat is toch vreemd. Ze is dadelijk teruggegaan. Ze heeft nog geen kwartier gerust. Ik zei nog: Wat is het goed, dat ze zo gauw naar huis terug wou! Wat is het een weer, hè ?"

„Ja, verschrikkelijk," antwoordde tante Fien, en ze hing de hoorn weer op.

Moeder zag dadelijk, dat er iets niet in de haak was.

„Is Fien daar niet?" vroeg ze.

„Ze is allang weg. Ze had al thuis kunnen zijn.

„Waar kan zo'n kind nu uithangen?" Moeder riep vader.

Sluiten