Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

XII. „WE GAAN VERHUIZEN!"

In die tijd draafde Peter nog éénmaal naar het kleine verborgen huisje. Hij kon zelf niet geloven, dat het hondje er nog was. Maar hij zou ten minste de ladder naar de zolder opklimmen.

Roef, zo gleed hij naar beneden. Hij was zo dom niet, om zijn been te verstuiken. Hij was dan ook geen meisje! Hij duwde de deur van het huisje open. Het was daarbinnen nu aardedonker. Geen nood, Peter vond de ladder toch wel. Hij klom naar boven en duwde het luik open. „Tommie, Tommie, Tommie," riep hij.

Keffe, keffe, woe, riep Tommie terug.

„Tommie, waar ben je dan ?" Peter hield zijn handen uitgestoken. Keffe-woe, riep Tommie. Maar hij kwam niet. Op de tast zocht Peter. Daar had hij de zak. En Tommie was erin vastgebonden. Dat moest de kleine man gedaan hebben. Die was zeker bang geweest, dat Tommie hem zou verraden.

„Tommie, ik ga je wegbrengen," zei Peter. Hij trok het gehavende beestje uit de zak. Hij streek het de haren glad en kalmeerde het een beetje. ,,Nu stil zijn, of de vrouw kent je niet meer," zei hij. Toen stopte hij Tommie onder zijn kiel. Af en toe mocht het hondje zijn

Sluiten