Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Vader keek verbaasd.

„Wou jij dat worden?" vroeg hij.

„Ik niet. Ik ben al onderwijzeres," antwoordde tante Fien. „Maar ik weet iemand, die hard en hard gebrek heeft aan werk."

„Zo ken ik een heleboel mensen," zei vader. „Ik weet alleen maar niet, wien ik moet uitkiezen."

„Is er boven dat pakhuis niet een flink woonhuis ?" vroeg tante verder.

„Dat is er ook," gaf vader toe.

„In dat huis konden de vrouw en de kinderen van mijn knecht komen wonen," zei tante.

„Vertel me toch eens: wie is die knecht?" vroeg vader nieuwsgierig.

„Dat is de vader van den vriend van Fien."

Nog nooit had tante Fien zoveel achter elkaar verteld in haar leven. „Ik doe vandaag niet anders dan rondlopen en praten," zei ze. Ze vertelde zo mooi van Peter, van de zusjes, van Peter's vader en moeder, dat de vader van Fien zei: „Ik zal morgen eens bij die mensen aanlopen. Als zij veranderen willen — welnu, dan heb ik wel zin, om dien man vast werk te geven."

En op dat ogenblik stak de moeder van Peter een nieuwe kaars aan bij het beeld van den heiligen Antonius. Ze ging de kopjes omwassen in de keuken. Terwijl ze daar bezig was, bad ze om hulp in alle tijdelijke zaken. Ze vergiste zich nogal eens en ze moest wel vier keer opnieuw beginnen met het prachtige gebed: „Wilt gij mirakelen zien, het wenen, kermen, zuchten. ..." Maar dat hinderde niet. Sint Antonius wist wel, dat bidden en werken tegelijk nog zo makkelijk niet ging. Hij bracht de gebeden tóch wel tot voor de troon van God. Vast zei hij daar: „Alle mensen kunnen niet tegelijk geholpen worden,

Sluiten