Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zwervende gespuis en een enkele maal een vreemdeling, die er onderdak zocht.

Op het oogenblik, het is al tegen den avond, zit de waard alleen in zijn zaak, en roept op ruwen toon om nog een snaps. Geen minuut later komt een zwarte vrouw, een oude negerin, met een glas vol aanloopen.

— Waar blijf je nou met die rommel? vraagt de waard verstoord aan haar.

— Ik naar buiten kijken, Heer.

— Wat is daar dan te zien?

— Ruiters aankomen.

— Wat? Veel?

— Ja, beetje boel.

— Wie.

— Ikke niet weten.

Zoo snel zijn dikke lichaam hem veroorloofde rende de man naar buiten.

— Jé, dat zijn de FINDERS, vooruit, vlug, de flesschen vullen! •

Hij verdween met de negerin in de achterkamer en begon haastig de vele leege flesschen te vullen uit een groot vat, dat daar lag. Het was allemaal houtspiritus, gemeene alcohol-vergiftigde z.g. Rnok-jenever, die hij zijn gasten uitschonk en naar gelang er het een of andere essence inging, deed hij het in een flesch met een ander etiket. In de wildernis waren de mannen niet zoo erg verwend.

De twaalf mannen sprongen van hun paarden en kwamen zeer luidruchtig door elkander schreeuwend, de gelagkamer binnen.

— Hé, waar zit je, ouwe dief!

— Hier kom ik al, Heeren, ik had u al zien aankomen.

— Vooruit, wat heb je nou weer voor vergif te drinken?

— Beste Brandy, Heeren!

Hij zette twaalf glazen neer en schonk die vol; nauwelijks waren zij vol, of de aanvoerder zette het glas aan zijn mond en goot den inhoud achter elkaar naar binnen.

— 't Lijkt wel zwavelzuur.

— 't Is de beste

— Ach, houd toch op met je nonsens!

— Hebben de Heeren nog goede zaken gemaakt?

— O, dacht je ons weer te kunnen afzetten en onzen roof voordeelig af te koopen?

— Nou, afzetten, ik geef toch goede prijzen.

— Ja, je bent niet zoo kwaad als je Brandy, maar dezen keer is er niets.

— Dat is jammer voor U.

— En voor jou.

— Ook, ja.

— Maar nu wat anders: heb je niets te eten?

— Vleesch heb ik niet

— Heelemaal niets?

Sluiten