Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

brauwen één geheel vormde. Tusschen die beide haargedeelten in kon men met een beetje goeden wil wel iets beenigs ontdekken: een ontzaglijken neus, die het verdere gezicht geheel overheerschte, zoodat er van een mond of van wangen volkomen niets meer te bespeuren viel. Alleen in een paar openingen van het vele haar glommen een paar zéér pientere oogjes, die met één enkele blik de geheele omgeving met al wat erin was, verkenden. Die pientere oogjes keken dan ook heel snel rond bij het binnen komen, en al schonk het vreemde manneke verder heelemaal geen aandacht meer aan de andere aanwezigen, nadat de drie mannen waren binnengekomen, toch had hij allen al goed gezien en de heelen inhoud van het kroegje in zich opgenomen.

De beide andere mannen, die met hem binnenkwamen, waren al evenmin gewone menschen; zij waren op zijn minst genomen belachelijk te noemen: beide even mager en lang en uitgedroogd, terwijl de kleeding zoo oud was, dat er niets goeds meer aan te ontdekken viel. Onder de groote flambards kwamen trouwhartige gezichten te voorschijn, die lieten weten, dat er met hen niet te spotten viel, maar dat zij tevens veel te goed waren om iemand kwaad te doen. Hun oogen keken erg scherp de wereld in, maar er was geen spoor van wreedheid te vinden bij hun vriendelijken mond, waarvan trouwens wel heel weinig te zien was, daar zij al evenals hun makkers, zeer behaard waren in het gezicht.

De wapens der drie mannen waren goed voor een museum: de eerste, verreweg de kleinste van de drie, had een oud geweer, dat heelemaal verroest was aan de buitenzijde, doch van binnen was het nog zeer goed, al kon men dat van buitenaf niet zien. Het was een lang ding, dat de lachlust moest opwekken van een ieder, die een goed geweer bij zich had. Ook de beide andere mannen hadden niets anders dan een zeer oud schietwapen en aan verder schiettuig hadden zij slechts heel ouderwetsche pistolen bij zich en een mes, dat wel broodmes geleek. Kortom, men kon hen aanzien, dat zij in vele jaren niets nieuws hadden bij gekocht. De pijpen, die zij bij hun entree opstaken, waren al even oud als de rest en de twaalf mannen konden dan ook hun lachen bijna niet inhouden, toen het drietal in een hoek van het café plaats nam. Openlijk namen zij de drie op en gaven hun verre van vleiende meening over de drie te kennen.

De drie mannen echter deden, alsof zij van dat alles niets verstonden en bemerkten, en gingen zitten, alsof ze in hun dagelijksche kroeg zaten. Nonchalant met het geweer dicht bij zich en hun beenen met de groote laarzen over elkaar geslagen zaten zij met elkaar te praten op fluistertoon, waar de FINDERS niets van verstonden.

Toen zij goed en wel zaten kwam de waard aanloopen en vroeg op onderdanigen toon:

— Wat zullen de heer en gebruiken?

— Wat valt hier te drinken?

Sluiten